Op kanalen en rivieren gelden gedragsregels, net als op de weg.

We nodigen u uit om de vaarregels te lezen waaraan u zich tijdens uw bootvakantie moet houden, zodat uw vaarvakantie optimaal verloopt.

Download nu het pdf-bestand (in Het Engels) met uitleg over de verschillende tekens die u tijdens uw vaarvakantie zult tegenkomen.

A

ACHTERSTEVEN

Achterste gedeelte van het schip.

ACHTERUITSLAAN

De boot in zijn achteruit zetten om deze te stoppen.

AFVAREND SCHIP

Schip dat stroomafwaarts vaart, dus de rivier met de stroom mee volgt en zich richting de monding begeeft. Op een kanaal betekent dit dat de boot de sluizen in dalende richting passeert.

B

BAKBOORD

Linkerkant van het schip als je naar voren kijkt.

BOLDER

Cilindervormig stuk metaal of beton, vastgemetseld aan een oever of op een kade, waaraan de boot kan worden vastgelegd.

BOOTSHAAK

Lange metalen of houten stok met een haak aan het uiteinde. U gebruikt de bootshaak bij het aanleggen en uitvaren, en in sluizen. Deze helpt om de boot gemakkelijker te manoeuvreren en botsingen te voorkomen.

BOVENWATERSCHIP

Gedeelte/volume van de boot dat zich boven het water bevindt (zie kruiphoogte). Hoe groter het volume boven water is, hoe meer wind de boot krijgt. Houd hier dus altijd rekening mee tijdens het manoeuvreren.

D

DIEPGANG

Verticale afstand tussen het laagste deel van een boot (meestal de kiel) en de waterlijn.

DOORVAARTHOOGTE

Beschikbare hoogte tussen de waterlijn en de sluitsteen van bijvoorbeeld een brug. Voor een boot: verticale afstand tussen het niveau van het water (waterlijn) en het hoogste punt van de boot (zie bovenwaterschip).

H

HELMSTOK

De helmstok heeft een lange steel en bevindt zich aan de achterzijde van de boot. Hij dient om de boot te besturen.

J

JAAGPAD

Pad langs een kanaal of rivier dat tot het begin van de twintigste eeuw werd gebruikt om binnenvaartschepen te laten trekken door paarden en mensen.

K

KIKKER

Metalen deel op een boot waaraan men een meertros kan bevestigen. Over het algemeen hebben boten twee kikkers aan de achterkant en één of twee kikkers aan de voorkant.

KOLKMUUR

Zijmuur van een sluis, die verticaal of licht hellend kan zijn.

L

LAAGWATER

Het laagste peil van een rivier of kanaal.

O

OPVAREND SCHIP

Boot die stroomopwaarts vaart, dus tegen de stroom in richting de bron van de rivier. Op een kanaal betekent dit dat de boot de sluizen in de stijgende richting passeert (net alsof hij een trap beklimt).

S

SCHUTKOLK

Het deel van de sluis tussen twee sluisdeuren, stroomopwaarts en stroomafwaarts.

SCHUTTEN

Het passeren van een boot door een sluis: hoe lang het duurt voordat de boot door de sluis is, hangt af van de hoogte van de daling en de grootte van de sluis. Over het algemeen duurt het schutten ongeveer een kwartier.

SLUISDREMPEL

Soort trede aan de kant van de stroomopwaartse deur in een sluis, waar u goed op moet letten (lees het hoofdstuk over manoeuvreren met afbeeldingen).

STOOTRAND

Rubberen of houten band die om de romp van de boot is geplaatst om haar te beschermen. Bijna alle boten hebben een stootrand (vaak één of twee, sommige modellen hebben er zelfs drie). Als extra bescherming is er een stootwil aanwezig.

STOOTWIL

De stootwil wordt ook wel fender genoemd en is een ronde of ovale vorm, opgeblazen met perslucht. De stootwillen worden in een krans rond de romp van de boot geplaatst om deze te beschermen tegen schokken. Over het algemeen worden er 8 tot 20 zeer stevige stootwillen gebruikt, die alleen bij zeer krachtige schokken stukgaan. Ze moeten altijd op hun plaats blijven, zelfs als u ze niet mooi vindt.

STROOMAFWAARTS

Met de stroom mee, richting de mond van de rivier (ook wel benedenstrooms genoemd).

STROOMOPWAARTS

Tegen de stroom in, richting de oorsprong van de rivier (ook wel bovenstrooms genoemd).

STUURBOORD

Rechterkant van het schip als je naar voren kijkt.

STUURRAD

Het stuurrad lijkt op het stuur van een auto en dient om de boot te besturen.

STUWPAND

Deel van een rivier of kanaal dat zich tussen twee sluizen bevindt.

V

VAARGEUL

Dit is de bevaarbare zone die is aangegeven op de kaarten en die u nauwgezet moet volgen om gevaren te vermijden, zoals rotsen, verzanding, paaltjes, enzovoorts.

VERDEELPAND

Het hoogste punt van het kanaal, waar de waterscheiding zich bevindt.

VOORBIJVAREN

Passeren/inhalen van een boot die in dezelfde richting vaart.

VOORSTEVEN

Voorste gedeelte van het schip.

W

WATERDIEPTE

Diepte van een waterweg (een kanaal of rivier kan bijvoorbeeld een waterdiepte van 1,40 meter hebben).

Om u beter van dienst te kunnen zijn, maakt Nicols gebruik van cookies. Ik ga akkoord.